Bespreek het met het kind
Bespreek met een kind wat het goed vindt gaan en wat het ingewikkeld vindt. Bespreek ook waardoor het kind denkt dat dit komt en bedenk samen wat helpt. Sommige kinderen kunnen zelf al goed aangeven waar ze behoefte aan hebben. Bij andere kinderen lukt dat nog niet altijd goed. Probeer dan samen te verkennen wat helpt. Dit begint met een kind serieus te nemen, oprechte interesse te tonen en goed te luisteren.
Vraag bijvoorbeeld:
Wat helpt jou om je te concentreren in de klas?
Wanneer lukt het je om rustig te luisteren bij de uitleg, en wanneer minder?
Hoe lukt het je om een ruzie op te lossen?
Weet je wat je moet doen als je zelfstandig gaat werken?
Wanneer gaat het goed en wanneer is het lastig?
Wat kun je zelf doen, en wat kan ik doen om te helpen?
Niet ieder kind kan hier meteen antwoord op geven. Toch laat je met zulke vragen zien dat je naast het kind staat en samen wil zoeken naar oplossingen. Voer dit gesprek het liefst op een rustig moment, voordat een situatie escaleert.
Pas de omgeving aan
De gesprekken met kinderen en ouders leveren vaak waardevolle inzichten op. Vaak zit de grootste winst in het aanpassen van de omgeving. Kleine veranderingen kunnen al veel verschil maken.
Voorbeelden:
Geef één opdracht tegelijk.
Deel taken op in kleine stappen.
Vraag een kind te vertellen wat het moet gaan doen na een opdracht.
Gebruik duidelijke routines.
Werk met een planning of checklist.
Bied structuur en voorspelbaarheid.
Wissel luisteren af met actief doen.
Las korte beweegmomenten of 'hersenpauzes' in.
Zorg voor een opgeruimde en rustige omgeving.
Beperk afleidende prikkels als dat helpt.
Vaak profiteren ook andere kinderen van meer structuur, duidelijke routines of afwisseling. Aanpassingen voor één kind kunnen dus de hele groep helpen.
Geef kinderen ruimte om zelf te reguleren
Sommige kinderen merken zelf dat het te druk wordt in hun hoofd of lichaam. Spreek samen af wat ze dan kunnen doen.
Bijvoorbeeld:
een kort beweegmoment nemen;
even water halen;
op een rustige plek werken;
een koptelefoon gebruiken;
een afgesproken kaartje inzetten voor een korte pauze.
Belangrijk is dat dit niet als straf voelt, maar als hulpmiddel. Geef kinderen waar mogelijk regie over hoe zij hiermee omgaan. Het kan als leerkracht spannend zijn om kinderen meer regie te geven. Want hoe reageren andere kinderen hierop? In de praktijk blijkt dat andere leerlingen dit vaak goed snappen als de leerkracht het uitlegt.